Ik kreeg toch heel wat vreemde blikken en geschokte reacties toen ik bekende dat ik samen met een vriendinnetje een reisje naar Litouwen had geboekt. Het was een impulsieve beslissing die te maken had met een actie bij Ryanair, dat geef ik toe. Maar een onbekende bestemming maakt een vakantie wat mij betreft vaak extra leuk.
Toeristenboekjes of talengidsjes van Litouwen zijn schaars en bijna nergens verkrijgbaar. Nationale lekkernijen, toch een van de eerste dingen waar ik naar kijk, zijn Šaltibarščiai (koude bietensoep) en Cūku ausu (geroosterde varkensoren). Het nationale ingrediënt is de aardappel. Daar worden bijvoorbeeld Blynai (aardappel-pannenkoekjes) en Cepelinai (aardappeldeeg gevuld met gehakt, in de vorm van een zeppelin) van gemaakt. Natuurlijk durven we dat aan. Op naar het vliegveld!
Litouwen is geen uithoek van Europa. Sterker nog, het middelpunt van Europa is gemarkeerd en ligt precies in Vilnius, de hoofdstad van Litouwen. We vlogen echter op Kaunas, de tweede stad van Litouwen, die tijdens de Poolse bezetting na de Eerste Wereldoorlog tijdelijk als hoofdstad functioneerde. Meteen vanuit Kaunas pakten we de bus naar Klaipeida. Een havenplaatsje vlakbij een indrukwekkend natuurgebied en een bedevaartplaats, zo begrepen we uit een opmerking in een groot plaatjesboek voor basisschoolleerlingen. Je moet toch wat wanneer een degelijke toeristische gids niet voorhanden is.
Onze ‘spreekbeurtbegeleiding’ kwam uit een serie die ooit is uitgegeven om kinderen kennis te laten maken met de landen binnen de Europese Unie. Het aantal pagina’s deed al vermoeden dat er bij deze kennismaking weinig kennis kwam kijken. De verwijzingen in het boek rammelden bovendien aan alle kanten. De teksten stonden niet altijd bij de juiste plaatjes. Na een flink lachsalvo bij de Tourist Information begrepen we dat er iets niet klopte. Niet alleen omdat Litouwenaren zelden een glimlach tevoorschijn persen, maar ook omdat deze jongen in duidelijk Engels en aan de hand van een kaart uitlegde dat bedevaartplaats, de Cross Mountain, meer dan 150 kilometer verderop lag. Hij dacht dat onze wandelschoenen dat niet aan zouden kunnen. Gelukkig waren de ‘wandelende duinen’ in het nationaal park wel op loopafstand. Al wandelden de meeste duinen allang niet meer en was slechts een deel van het gebied toegankelijk.
De dag na onze aankomst huurden we twee fietsen van een jongen die met een bordje en drie fietsen aan de kant van de weg stond en trokken we het natuurgebied in. Een flinke fietstocht die niet altijd even goed werd aangegeven, dus om vijf uur waren we nog niet precies waar we hadden willen zijn. Maar het was warm, aan het water lag een mooi terras en we wilden eerst maar eens gaan eten.
Dat was het moment om een koud bietensoepje te proberen. Gewoon, omdat het op de kaart stond, want zó lekker klonk het nou ook al weer niet. Toen het perfect babyroze soepje geserveerd werd, met een paar gekookte aardappelen, waren we niet gerustgesteld. Maar de eerste hap deed wonderen. De soep was friszuur, met een zoetige zweem van rode bietjes en een bitter tintje door de ringetjes van bosui. Precies waar je zin in hebt na een warme dag in een duinachtig natuurgebied. Niet voor niets een nationaal gerecht.
Wil je hem ook in Nederland eens uitproberen? De ingrediënten kan ik vast verklappen: rode bietjes, karnemelk en zure room, gegarneerd met bosui-ringetjes en peterselie. Geserveerd met gekookte aardappels (in ons geval ook gegarneerd met bosui-ringetjes en peterselie). Wij bestelden er Kempta duona su česnaku ir sūriu (knoflookbrood) bij. De bereiding zal ik binnenkort zelf uitproberen. Ik houd jullie op de hoogte.













1 reactie