Ik ben geen ideale huisvrouw. Als je bij mij over de vloer komt is er sprake van een ‘gezellige rommel’. Zo noem ik het tenminste graag. Bovendien heb ik een fulltime baan en mede daardoor heb ik lang niet altijd de tijd om uitgebreid te koken. Wat mij betreft hoef ik ook geen ideale huisvrouw te zijn, daarom is het misschien vreemd dat een van mijn favoriete kookboeken de titel Hoe word ik een goddelijke huisvrouw draagt.
Het kookboek is van Nigella Lawson, Britse kokkin en bekend van haar kookboeken en kookprogramma’s. In het voorwoord legt ze uit dat ze niet wil dat je een goddelijke huisvrouw wordt, ze wil dat je je een goddelijke huisvrouw voelt. “Het gaat om het prettige gevoel van de warme, zoete geuren die om je heen zweven terwijl je je ontspant en je niet meer totaal die op en top werkende vrouw bent.” Daar wil ik wel in meegaan.
Nadat ik zoete recepten had uitgeprobeerd waarin Nigella me overtuigde dat tuinkruiden best kunnen in een zoete cake en ze baklavamuffins waarheidsgetrouw introduceerde met “Ik weet dat het waanzinnig klinkt, maar ze zijn werkelijk heerlijk!”, groeide mijn vertrouwen in mijn goddelijkheid. Ik was klaar voor het grotere werk: pasteien. “Alles wat je moet doen is er eentje bakken, dan dringt het tot je door dat het absoluut geen ervaring of handigheid vergt waarover jij niet zou beschikken”, aldus Nigella. Ze had buiten mij gerekend.
Een pastei met spinazie, ricotta en bulgur, precies waar ik zin in had. Voor het korstdeeg moest ik even terugbladeren naar de eerste pagina. Hoe lang ik erover zou gaan doen stond er niet bij. Wel moest de bulgur een kwartier wellen, de pastei een uur in de oven, en het resultaat moest vervolgens 25 minuutjes afkoelen.
Zolang ik op de pagina van mijn pastei met spinazie, ricotta en bulgur kon blijven, ging alles goed. Ik welde de bulgur, raspte de citroen, prakte de lenteuitjes…? Nee, prakte de lenteuitjes door de ricotta. Zoals ik al zei: alles ging goed, tot ik mijn voorbeeldige pasteirecept moest verlaten om terug te bladeren naar het recept voor korstdeeg. En niet zomaar korstdeeg, maar ‘fool proof’ korstdeeg.
“Roer de koude blokjes boter door de meel en zet het in de vriezer.” Ik heb geen ruimte in mijn vriezer, dat kan dus niet. Dat is vast niet zo erg, dacht ik toen nog. Maar daarmee waren ook de benodigde eetlepels ijswater van de baan. De volgende stap was de foodprocessor. Wat? De foodprocessor. Hmm, gewoon handmatig kneden dan maar? Ik laat me niet zó snel van de wijs brengen. Toen het deeg uitgerold moest worden was ik natuurlijk de deegroller kwijt en heb ik een lege wijnfles gepakt. De fool-proofheid van het recept was nu wel degelijk aangetast.
Het deeg scheurde, viel uit elkaar, bleef aan de fles plakken. Een grote ellende, terwijl ik toch regelmatig prima deeg geproduceerd heb zonder recept. Maar ik bleef Nigella’s woorden in mijn achterhoofd herhalen. De druk was hoog: “Het is net als met de eerste kus, het is de eerste pastei die telt.” Volhouden dus, opgeven was geen optie, want dit was mijn eerste echte pastei.
Met veel kunst en vliegwerk produceerde ik zwetend een bodem, een zijkant: bestaande uit kleine mozaiekstukjes, en een ‘deksel’ die werkelijk uit mijn tenen moest komen. Een huisje voor mijn overheerlijke vulling. Na een uur in de oven stond daar toch “een gouden wonder van kunstvaardigheid” met maar een paar scheurtjes bovenin. Hoe ik me voelde? Hongerig! Maar het was de moeite waard en volgende keer gaat het vanzelf,… zegt Nigella.